Atelier
Hoofdstuk 14
In het begin van onze relatie zegt Jeanette dat ze ook andere mannen wil. We zitten op de bank. Ik herinner me dat mijn maag draait. Niet metaforisch. Maar letterlijk, alsof er iets verschuift, alsof iets zich verzet tegen zwaartekracht. Ik knik. Ik zeg dat ik daar over na moet denken. Ze zegt dat ze eerlijk wil zijn. Dat dat het beste fundament is.
Eerlijk is een mooi woord voor dingen die niet meer terug te draaien zijn.
Een paar jaar later besluiten we open te staan voor een open relatie. Zo formuleren we het ook. Niet “we doen het”, maar “we staan ervoor open.” Dat scheelt. Daar kun je twee jaar in wonen zonder dat er iets gebeurt. We hebben net Mats. De luiers, de tepelzalf, de slaap die in stukken van negentig minuten komt. Open relatie. Tussen het kolven door.
En dan toch, een keer.
Jeanette is net zwanger van Fien. We hebben een stel uitgenodigd via een schimmige site. De aanloop gaat per chat. Of we wel geschoren zijn. Wat we geil vinden. Foto’s van zijn penis van onderaf, de enige hoek waarin hij waarschijnlijk groter lijkt dan hij is. Ik schrijf dit en ik vind het zelf ook merkwaardig, dat ik in die periode dingen deed die ik wilde willen. Ik wilde willen wat zij wilde. Dat is iets anders dan willen.
Ze komen aan met een bosje bloemen van het tankstation. Cellofaan. Een prijssticker van vier euro vijfenveertig. Hij in een colbert dat niet helemaal zit. Zij vriendelijk. We zitten in de woonkamer. De box van Mats staat nog in de hoek. Een speen op de bijzettafel.
“Wat doen jullie?” vraagt Jeanette.
Politiemensen. Allebei. Hij is iets met een wijkteam. Jeanette zegt dat ze actrice is. Hij, Peter, of Dennis, een van die generieke namen, zegt dat hij goed Donald Duck kan nadoen. Hij doet het ook. In onze woonkamer. Met de box van Mats in de hoek. Donald Duck.
Jeanette zegt dat ze zwanger is. Ze zegt het zoals je zegt dat de melk op is. Ze zegt dat ze aan babysokjes denkt. Wit met sterren. In de la, op de overloop, links bij de commode. Ik weet precies welke. Ik dacht er net niet aan. Ze zegt dat ze het niet kan.
“Het geeft helemaal niks, zo gaat dit,” zeg ik. Ik weet niet waar ik dat vandaan haal. Alsof ik er ervaring mee heb.
Ze gaan beteuterd weg. Bloemen achterlatend.
Daarna is het jaren stil. Ja, in restaurants. We zitten ergens en we kijken naar een ander stel en een van ons zegt zacht: zouden zij ook? Het wordt een soort spelletje. Een onschuldige fantasie waarin we allebei doen alsof het iets is wat anderen doen.
Tot de TIA.
Na de TIA vond ik het zo zielig dat er na elf jaar nog niks was gebeurd voor haar. Dat klinkt fout als ik het opschrijf. Zielig. Maar het is wat ik dacht. Ze had haar verlangen niet geleefd en ik gunde het haar.
Dat is de helft van het verhaal.
De andere helft is dat ik mezelf ook iets gunde. Ik wilde weten hoe het zou zijn. Of ik kon leven met het idee van een andere man aan mijn vrouw. Of dat ik verteerd zou worden door jaloezie. Niet weten verteerde me allang. Niet weten doet dat, het vreet sneller dan een antwoord dat je niet wil. Een antwoord houdt een keer op. Een vraag niet.
Stellen lukte niet. Dat lag denk ik aan mij. Ik was geen type voor de vrouwen van zo’n stel. Te smal, te bleek, te veel hoofd. En het werd zo plat. Of we geschoren waren. Wat we geil vonden. Ik vroeg me, en dit is een vraag waar ik nog steeds geen antwoord op heb, of er zoiets bestaat als beschaafde geilheid. Intellectuele geilheid. Geilheid die niet meteen vraagt of je geschoren bent. Ik denk van niet. Ik denk dat geilheid van zichzelf platvloers is en dat dat misschien ook precies de bedoeling is en dat ik daar nooit in geslaagd ben.
Dus dan maar single mannen.
We hebben in die tijd ook een appartement aan de Van Eeghenstraat. Vierde verdieping. Honderd vierkante meter. Eigen lift die in de woonkamer uitkomt, je drukt op een knop en je staat in iemands huis. Een designkeuken met marmer en koper, het soort keuken dat ergens in een tijdschrift heeft gestaan. Het balkon kijkt uit op het Vondelpark.
Ik huur het voor Jeanette. Als atelier, dat is het woord dat we gebruiken. Ze zou er repeteren voor theaterstukken. Voor haar doorbraak als groot actrice. Die doorbraak kwam niet. Het appartement bleef. Jeanette ging er overdag, na het naar school brengen van de kinderen, alleen heen, met haar dagboek.
Daar spreken we af.
De eerste man is een kleine Portugees van zesentwintig. João. Of Tiago. Een naam die ik direct vergeet. Ik zeg dat Jeanette hem maar moet ophalen, beneden bellen, lift, ik wacht boven. De lift gaat open. Het eerste wat ik zie is een rugzak. Een enorme, oranje, met van die gespen. De jongen erachter komt erbij als bijzaak. Ik denk: komt hij zijn tent opzetten.
Ik weet meteen dat dit het niet wordt.
Hij wringt zich er doorheen. Hij praat over zijn ex. Hij is hier om haar te vergeten. Hij is hier om “new things” te doen. Hij heeft zich verkneukeld dat hij met zo’n mooie vrouw - hij wijst naar Jeanette met zijn duim alsof ze op een markt staat - en ondertussen blijven zijn ogen de kant op gaan waar zijn rugzak ligt. Alsof hij bang is dat we hem zullen stelen.
Ik zeg: “I’m going to have a cigarette on the balcony, you guys take a moment.”
Ik rook drie sigaretten. Op het balkon kijk je uit op het Vondelpark. Het is donker. De fontein staat uit. Ik denk: dit is mijn leven. Dit is wat ik aan het doen ben. Ik rook op een balkon terwijl mijn vrouw binnen probeert iets te willen waarvan we allebei weten dat het niet gaat lukken.
Als ik terugkom hoor ik het al voor ik de kamer in ben.
“Sorry, I really like you, but I don’t think you are my type.”
João of Tiago staat op met zijn rugzak en gaat. Bij de lift draait hij zich half om. Iets glimt onder zijn ogen. Ik denk dat hij huilt. Niet hard. Hij was hier voor zijn ex en het is hem niet gelukt. De lift hoor je nog een tijd zoemen. Daarna is er die specifieke stilte die alleen bestaat als je iets hebt geprobeerd en het is mislukt en er ligt nog een bergje chips in een schaaltje die niemand meer gaat eten.
Jeanette is gefrustreerd. En ik ook. Dat is het rare. Ik ben ook gefrustreerd. Niet omdat ik wilde dat het lukte. Maar omdat ik wilde dat het voor haar lukte. Dat is een raar soort verlangen, verlangen naar iemand anders zijn verlangen.
En, eerlijker, omdat ik mijn eigen antwoord ook niet had. De rugzak had niks bewezen. De vraag bleef.
We plaatsen nog een oproep. Het is even na elven.
Om twee uur ‘s nachts gaat de bel. Op de Van Eeghenstraat. Twee uur ‘s nachts. Er zijn buren die uit hun raam hangen, ik weet het zeker. Er zijn buren die de volgende dag bij het bakkertje op de Cornelis Schuyt zeggen: ik heb iets gehoord vannacht.
Jeanette haalt hem op. De lift gaat open. Hij is lang. Hij heeft enorme tanden. Hij ziet eruit als een computernerd uit een film uit 1987. Een strakke scheiding, één kant naar links geplakt. Een blouse in zijn broek. Hij heeft iets opgeluchts over zich. Alsof hij eindelijk ergens is.
Ik zit in de fauteuil bij het raam, mijn troon voor vannacht. Ik kijk naar hem. Jeanette kijkt naar mij. Het is de blik die we anders in restaurants wisselen. Alleen nu zonder spelletje.
“Hey leuk je te ontmoeten,” zeg ik. “Waar kom je vandaan?”
“Nieuw-Vennep.”
“Hoe ben je hier gekomen?”
“Met het openbaar vervoer. Ik heb er twee uur over gedaan.”
Twee uur. Met het openbaar vervoer. Vanaf Nieuw-Vennep. Naar de Van Eeghenstraat. Voor dit.
Vijf minuten later staat hij weer buiten. Ik weet niet meer wat we tegen hem gezegd hebben. Iets vriendelijks. Iets met “we hebben het er even over gehad” of “het voelt niet helemaal passend.” Ik denk dat hij toen weer in de tram is gestapt. Ik denk dat hij om half vijf in Nieuw-Vennep was. Ik denk dat hij zijn jas heeft opgehangen en zichzelf in de spiegel heeft aangekeken en ik denk dat ik daar nog wel eens aan moet denken.
Het lukt niet. Dat is wat ik me herinner van die periode. Niet de schaamte, niet de geilheid die er had moeten zijn, het lukt niet. Een rugzak. Tanden. Bloemen van het tankstation. Donald Duck. Twee uur ‘s nachts op de Van Eeghenstraat.
Ik gunde het haar.
Toen de liftdeuren dichtgingen leunde Jeanette met haar rug tegen de muur ernaast. Ze keek naar de keuken. Het marmer. Het koper. Er had nog nooit iemand iets in gekookt. Ze zei niks. Ik zei niks. Ze haalde een mok uit het kastje, een mok van Mats met een dinosaurus erop die hier niet hoorde, die ik op een keer had meegenomen en vergeten was terug te brengen. Ze deed er een theezakje in. Pickwick. We dronken thee uit een mok van een kind dat thuis lag te slapen.
Het werd licht boven het Vondelpark. De vraag bleef.
Hier had ze geoefend.


Mooi geschreven!