Bali
Hoofdstuk 12
Iris werkt al zeven jaar voor me.
Dat is het eerste wat ik altijd zeg als mensen vragen wie ze is. Zeven jaar. Alsof de tijd het verklaart.
Ze zingt. Niet voor mij, niet voor het werk; voor de kleine zalen in Nederland waar vijftig mensen komen en iedereen die vijftig mensen kent. Ze werkt bij mij om de huur te betalen terwijl ze de rest opbouwt. Dat is de afspraak.
We praten over alles. Over Jeanette, over Mats en zijn schouders die ja en nee zijn geworden, over het faillissement, over de haak. Dat heb ik haar verteld. Over de haak en de lijnen en het bad. Ze zei niks. Ze knikte.
Bij Iris presteer ik niet. Bij iedereen anders doe ik iets. Ik leg uit, ik overtuig, ik zorg dat ik begrijpelijk ben. Bij Iris zit ik gewoon. Soms zeggen we een uur lang weinig en dat is prima.
Ik heb nooit aan haar gedacht op de manier waarop je aan iemand denkt. Niet één keer in zeven jaar.
Op een dinsdag in februari belt ze me.
Niet appt. Belt.
“Thomas is weg.”
Thomas. Haar vriend met wie ze tien jaar was. Gitarist. Ik heb hem twee keer ontmoet. Hij had zachte handen voor een gitarist.
“Wanneer?”
“Afgelopen weekend.” Ze pauzeert. “Hij heeft zijn platen meegenomen. Alle platen. Ook die van mij.”
“Welke van jou?”
“Joni Mitchell. Het origineel. Van mijn moeder.”
“Klootzak,” zegt ze.
“Ja.”
We praten een uur. Ze huilt een keer, kort, en dan stopt ze.
Twee weken later zit ze tegenover me aan de Marktplaats-tafel.
Ze heeft een laptop open. Een website. Groene letters op een witte achtergrond. Foto’s van mensen die in kleermakerszit zitten bij een zwembad.
“Een retreat,” zegt ze.
“Ik zie het.”
“In Spanje. Tien dagen. Meditatie, yoga, puur eten.” Ze scrollt. “Er is ook een optionele darmspoeling.”
Ik kijk haar aan.
“Iris.”
“Het schijnt heel goed te zijn voor—”
“We gaan naar Bali.”
Ze kijkt op.
“Waarom Bali?”
Ik weet niet waarom Bali. Ik weet alleen dat ik niet naar Spanje ga voor een darmspoeling.
“Omdat Bali ver genoeg is,” zeg ik.
Ze kijkt naar haar scherm. Dan klapt ze de laptop dicht.
“Oké,” zegt ze.
Ubud. Een resort dat geen resort wil heten. Bamboehut, houten vloer, een ventilator aan het plafond die weinig doet. Buiten krekels. Altijd krekels, dag en nacht, alsof Bali een toon aanhoudt.
Op de eerste ochtend lopen we langs een tempel. Klein, aan de kant van de weg, oranje goudsbloemen op een bananenblad, een wierookstokje dat bijna op is. Er staat niks bij. Niemand kijkt ernaar. Ik weet niet wat het betekent en ik vraag het niet.
Het eten is puur. Zo puur dat ik op de tweede dag niet begrijp wat ik eet. Groen. Zacht. Zonder smaak op een manier die opzettelijk voelt.
Op de derde dag krijgt Iris koorts.
Ze zegt er niks over tot de middag. Ik zie het eerder. Ze eet weinig bij het ontbijt. Ze loopt langzamer. Bij de yoga zegt ze dat ze hoofdpijn heeft en gaat zitten.
Na de lunch gaat ze naar haar kamer.
Ik klop aan.
“Kom.”
Ze ligt op bed. Deken over zich heen ondanks de hitte. Haar gezicht is rood. Ze heeft haar haar losgemaakt.
“Je had het eerder moeten zeggen.”
“Het viel mee.”
“Het valt niet mee.”
Ze sluit haar ogen. “Nee.”
Ik haal thee. Gember en citroen, in een kleine thermoskan bij de receptie. Ze gaat rechtop zitten. Ze drinkt.
Ik ga op de stoel naast het bed zitten. Buiten de krekels. De ventilator draait.
“Dit is jouw schuld,” zegt ze.
“Hoe mijn schuld?”
“Spanje had darmspoeling. Een darmspoeling had dit voorkomen.”
Ik ga naar de apotheek in het dorp. Een klein winkeltje met Indonesische tekst op de dozen. Ik wijs. De vrouw achter de balie geeft me paracetamol en iets oranje in een flesje. Zeventigduizend roepia. Drieënhalf euro.
Iris slaapt die middag. Ik zit op het terras van haar kamer. Een boek dat ik al drie weken niet heb opengeslagen. Ik lees twee bladzijden. Ik lees ze opnieuw.
Ik leg het boek neer.
Die avond gaat het beter.
De koorts zakt. Ze eet een beetje rijst. Ze wil buiten zitten.
We zitten op het terras. Bamboe stoelen, een laag tafeltje, een kaars die beweegt in de wind. Beneden ons een rijstveld. Donkergroen in het laatste licht, en dan zwart.
Er staat een maan. Heel. Groot en wit boven het rijstveld, zo helder dat je de schaduwen ziet.
“In Amsterdam zie je hem niet,” zegt ze. “Te veel licht.”
“Hier ook licht.”
“Ander licht.”
We zitten. De kaars beweegt. De krekels houden hun toon aan.
Dan kijkt ze me aan.
Niet op de manier waarop ze me aankijkt als we praten. Niet op de manier van zeven jaar. Ze kijkt me aan en het is alsof iemand een muur weghaalt die er altijd heeft gestaan en waarvan ik niet wist dat hij er stond.
Ik kijk terug.
Zeven jaar. We hebben zeven jaar tegenover elkaar gezeten en ik heb haar niet gezien. Niet zo. Niet de manier waarop haar haar over haar schouder valt. Niet de manier waarop ze haar hoofd iets schuin houdt als ze luistert. Zeven jaar lang was ze Iris-die-voor-me-werkt en nu, in het licht van een maan boven een rijstveld op Bali, is ze alles wat ik niet heb gezien.
Ze voelt het ook. Ik zie het aan haar ogen. Aan de manier waarop ze niet wegkijkt. Ze voelt precies hetzelfde op precies hetzelfde moment.
“Ik ga slapen,” zegt ze.
“Ja.”
Ze staat op. Ze legt even haar hand op mijn schouder als ze langs me loopt. Eén seconde. Warm.
Ik hoor de deur opengaan. Dichtvallen.
Ik blijf zitten.
De rijstvelden zijn zwart. De maan is wit. Ergens beneden blaft een hond, eenmalig, en dan is het stil.
Ik had het eerder moeten zien.


Hoe zou het zijn zonder de laatste zin…