Failliet
Hoofdstuk 8
Het begon met een spreadsheet.
Niet met een idee, niet met een droom, niet met een visioen in de douche. Het begon met een spreadsheet die ik maakte op een zondagavond in 2014, aan de keukentafel, terwijl Jeanette de kinderen in bad deed. Kolom A: kosten. Kolom B: opbrengsten. Kolom C: verschil. Kolom C was groen. Alles was groen.
Spraaktechnologie. AI avant la lettre. Ik had er zesentwintig jaar ervaring mee, via de studio’s, via de klanten, via de duizenden stemmen die ik had opgenomen en bewerkt en geleverd. Ik wist hoe stemmen werkten. Ik wist hoe bedrijven stemmen gebruikten. Ik wist wat er ontbrak.
Wat er ontbrak was software die deed wat ik deed, maar dan schaalbaar. Automatisch. Zonder mij.
De ironie ontging me.
Ik begon klein. Een laptop, een API, een freelance-ontwikkelaar in Oekraïne die Sergei heette en die ik nooit heb ontmoet. Sergei bouwde een prototype. Het prototype werkte. Niet goed, maar het werkte.
Toen ging het snel. Een kantoor in de Houthavens, klein maar met uitzicht op het water. Twee medewerkers. Drie. Vijf. Een investeerder die zei dat we het ‘next big thing’ waren. Een investeerder die dat tegen iedereen zei, maar dat wist ik toen nog niet.
Mijn spaargeld ging erin. Zeventigduizend euro. Het pensioen dat ik had opgebouwd bij de studio’s; afgekocht, vrijgemaakt, overgemaakt. Honderdvijftigduizend. Mijn moeder gaf me tweehonderdduizend. “Voor jouw bedrijf,” zei ze. Ze zei het zoals ze alles zei: alsof het vanzelfsprekend was, alsof geld iets was dat je aan je kinderen gaf zonder er verder over na te denken.
Ik dacht er wel over na. Elke nacht. Maar ik nam het aan.
Vierhonderdtwintigduizend euro. Mijn geld, mijn toekomst, het geld van mijn moeder. In een bedrijf dat software maakte die stemmen kon klonen.
Twee jaar lang was kolom C groen. De omzet groeide. De kosten groeiden harder, maar dat was normaal, zei de investeerder. “Je moet investeren om te groeien.” Ik knikte. Ik begreep de logica. De logica klopte op papier.
Op een dinsdag in maart kreeg ik een mail van onze grootste klant. Ze stopten. Geen reden. Nou ja, een reden. Ze gingen het zelf doen. Ze hadden onze technologie lang genoeg gezien om te begrijpen hoe het werkte, en nu bouwden ze hun eigen versie. Goedkoper. Slechter. Maar van hen.
Ik belde de investeerder. Die nam niet op.
Ik belde nog een keer. Voicemail.
De derde keer nam hij op. “Reinier, ik zit in een meeting.”
“We verliezen Opticon.”
Stilte. Het soort stilte dat betekent dat iemand rekent.
“Hoeveel procent van de omzet?”
“Vierenveertig.”
“Shit.”
Daarna de kiestoon.
De maanden erna waren telefoontjes die ik niet wilde plegen en spreadsheets die niet meer klopten. Kolom C werd rood. Eerst lichtroze. Toen donkerrood.
Ik paste de formules aan. Ik schoof kosten door naar volgende kwartalen. Ik noemde schulden “uitgestelde investeringen.” Dat is het mooie aan spreadsheets - je kunt de werkelijkheid erin veranderen zolang je maar nieuwe kolommen bedenkt.
Op een donderdagavond zat ik alleen op kantoor. Het was elf uur. De Houthavens waren stil. Ik keek naar het water door het raam en ik wist het. Niet dacht, niet vermoedde. Wist. Zoals je weet dat melk zuur is voor je eraan ruikt.
De volgende ochtend kwamen mijn medewerkers binnen en ik zei niks. De ochtend daarna ook niet. En de ochtend daarna. Ik betaalde hun salaris van geld dat ik niet had, geleend van een creditcard die al over de limiet was. Drie weken lang liep ik door dat kantoor alsof het nog van mij was.
Op een ochtend in juni stond ik voor de deur en het slot was vervangen. Er hing een brief. De brief zei wat brieven zeggen als je drie maanden huur niet hebt betaald.
Ik belde mijn twee overgebleven medewerkers. De een huilde. De ander zei: “Ik wist het.” Alsof dat hielp.
Vierhonderdtwintigduizend euro. Weg.
Het kantoor is nu een yogastudio.
Mijn moeder weet het niet.
Ik rijd naar Baarn. A1, afslag Baarn, parkeren bij de ingang. Bloemen mee. Rozen. Ze zegt: “Wat een mooie tulpen.” Ik zeg: “Rozen, mam.”
Ze kijkt naar me. Lang. Alsof ze probeert iets scherp te stellen dat niet scherp wil worden. Dan kijkt ze naar de bloemen. De bloemen zijn makkelijker.
Ik zou het haar kunnen vertellen. “Mam, je geld is op.” Ze zou knikken. Ze zou weer naar de bloemen kijken. En dan zou ik naar huis rijden over de A1 en er zou niks veranderd zijn, want je kunt geen vergeving krijgen van iemand die niet meer weet wat ze moet vergeven.
Dat ze het niet weet is geen opluchting. Het is een straf. De enige persoon van wie ik het geld heb aangenomen - want dat is wat het is, je neemt geld aan waarvan je weet dat je het niet kunt terugbetalen - kan me niet meer veroordelen.
Niet omdat ze me vergeven heeft. Omdat ze vergeten is.
Ik pak haar hand. Ze laat het toe. Haar hand is warm en droog en ze laat het toe zoals je het toelaat als een vreemde iets aardigs doet.
Birgit had gezegd: “Je bent hier niet echt, Reinier.” Aan haar keukentafel, met koffie.
Jeanette is er wel. Maar anders.
Na de TIA is ze veranderd. Ze zet haar glas altijd op een onderzetter nu. Vroeger nooit. Ze doet de deur op het nachtslot als ik de kinderen breng, ook overdag. Ze zegt “bedankt” als ik Fiens regenjas teruggeef. Bedankt. Alsof ik de buurman ben.
We hebben contact vanwege de kinderen. Dat is het woord dat we gebruiken. Contact. Alsof het iets is uit een protocol. Ik breng de kinderen. Zij opent de deur. We wisselen informatie uit over zwemles en tandarts en gymtassen. Ze kijkt net langs me heen. Niet opzettelijk. Het is erger dan opzettelijk. Het is alsof ik niet scherp genoeg ben om te zien.
Intussen gaat ze los. Nieuwe mannen. Types die mij niet zouden kennen en die ik niet zou kennen - festivalgangers, baarden, mutsjes, lachend in haar voortuin alsof dat hún voortuin is. Ik weet dit omdat Mats het vertelt, op de achterbank, terloops, zoals kinderen dingen vertellen die ze niet als belangrijk beschouwen.
“Kevin was er weer.”
“Hmm.”
“Hij heeft een motor.”
“Oh.”
“Een snelle.”
Ik rijd. Ik kijk in de spiegel. Mats kijkt uit het raam. Fien slaapt.
Op zondagavond breng ik ze terug. Ik parkeer voor het huis - ons huis, haar huis nu, met de rode voordeur die ik heb geverfd en de brievenbus die ik heb opgehangen en het tuinpad dat ik heb gelegd op een zaterdag in 2016 terwijl Fien zand in de cement gooide.
De deur gaat open. Er staat een man. Niet Kevin. Een andere. Breed, blond, jong, sportschoenen, een theedoek over zijn schouder. Hij glimlacht het soort glimlach van iemand die niet weet dat hij in het huis staat van een ander.
“Hé. Ik ben Rick.”
“Reinier.”
“De vader, toch?”
Mats wurmt zich langs Rick naar binnen. Fien pakt Ricks hand. Ze kent hem. Ze kent hem goed genoeg om zijn hand te pakken.
“Wil je wat drinken?” vraagt Rick.
Hij vraagt of ik iets wil drinken. In mijn huis. Met mijn glazen.
“Nee, dank je.”
Ik draai me om. Loop naar de auto.
In de achteruitkijkspiegel zie ik dat Rick de deur dichtdoet. De rode deur. Hij doet hem dicht zoals je een deur dichtdoet als je er woont. Vanzelfsprekend. Zonder nadenken.
Jeanette heb ik niet gezien. Ze was ergens in het huis. Ergens achter Rick en de theedoek en de glimlach.
Ik rijd naar Almere. A6. Dertig minuten. De radio staat aan maar ik hoor niks.
Ik parkeer voor mijn huis. Het is donker. Bij Dennis brandt licht. Er brandt altijd licht bij Dennis.
Ik ga naar binnen. Mijn hond springt tegen me op. Ik geef hem eten. Ik ga zitten aan de Marktplaats-tafel.
Mijn telefoon trilt. Jeanette.
“Mats is zijn gymtas vergeten.”
De tas staat in de gang. Blauw. Nike. Nog bijna nieuw want Mats heeft een hekel aan gym.
Ik typ: “Breng ik morgen.”
Versturen.
Ik leg mijn telefoon neer. Mijn hond legt zijn kop op mijn schoot. Hij kijkt naar me met ogen die niks vragen. Niet hoe het gaat. Niet waar ik ben. Niet of ik er echt ben.
Ik denk aan de glazen. Zes stuks. Bijenkorf. Honderdtachtig euro. Derde plank, links van het aanrecht. Rick weet niet waar ze staan. Rick zal het vragen. Jeanette zal wijzen. Rick zal inschenken.
Ik heb die glazen gekocht.


Au. Wat pijnlijk. Zo kwam er in mijn leven een vrouw, die in mijn huis, in mijn slaapkamer, in mijn garage, in mijn tuin…
Vanaf nu ben ik verslaafd aan jouw verhaal🍀