Hanna
Hoofdstuk 11
Ik zoek haar via een forum.
Niet via een app. Niet via Parship of een meditatie-platform. Een forum. Tekst op een wit scherm. Mensen die schrijven over zenleraren in Nederland zoals anderen schrijven over restaurants. Aanbevelingen. Waarschuwingen. Iemand die zegt: “Hanna in Drenthe. Streng. Niet voor iedereen.”
Ik stuur een mail.
Ze antwoordt drie dagen later. Eén alinea. Wanneer ik wil komen, hoe laat, wat ik mee moet nemen. Geen vraag waarom. Geen intakeformulier. Geen “vertel me iets over jezelf.”
Ik rij op een vrijdagmiddag naar Drenthe. Twee uur. A6, A28, dan smalle wegen. Bomen die dichterbij komen. Minder licht. De navigatie zegt: over vierhonderd meter rechtsaf. Er is geen bord. Ik sla toch af.
Een boerderij. Wit geschilderd, donkere balken. Een grindpad. Ik parkeer naast een Citroën Berlingo met een deuk in de bumper.
Hanna staat in de deuropening.
Ze is kleiner dan ik verwacht. Grijs haar, kort. Een wollen vest. Ze kijkt me aan zoals je iemand aankijkt als je al weet wat je ziet.
“Reinier.”
“Ja.”
“Kom binnen.”
Ze loopt voor me uit. Ik volg.
De zendo is een schuur achter het huis. Houten vloer, kaarsen. Het ruikt naar hout en iets anders. Niet wierook. Iets anders.
Er zijn vijf anderen. Ik ken niemand. Ze knikken. Ik knik terug.
Hanna gaat zitten. Ze zegt: “Drie dagen. Stilte vanaf nu. Morgen om vijf uur beginnen we.”
Ik kijk haar aan.
Ze kijkt terug. Ze wacht.
Dat is het. Dat zijn de instructies.
Ik ga op mijn kussen zitten. De klankschaal. Het geluid hangt langer dan in het buurthuis in Amsterdam-Noord. Langer en dieper. Het ebt weg als water.
De eerste nacht slaap ik niet.
Ik lig op een smalle matras in een kleine kamer. Buiten is het stil op een manier die ik niet ken. Geen auto’s. Geen Dennis. Geen chihuahua. Alleen wind in bomen en soms een vogel die het verkeerde uur heeft.
Ik denk aan Birgit. Aan haar keukentafel. Haar hand naast de mijne. Vijf centimeter.
Ik denk aan Jeanette. Ze is nu een telefoonstem op zondagavond, als we al bellen want Jeannette houdt niet van bellen. “Mats is zijn gymtas vergeten.” Dat is onze taal geworden. Gymtassen en tandartsen en zwemles. De taal van ouders die geen stel meer zijn.
Ik denk aan mam. Baarn. De rozen die ze niet herkent.
Om vier uur geef ik het op. Ik ga rechtop zitten. Donker. Stil. Ik adem in. Ik adem uit.
Niks bijzonders. Gewoon lucht.
De ochtend begint om vijf uur. We zitten. Één uur. Mijn knieën doen pijn. Mijn rug doet pijn. Ik verplaats mijn gewicht. Hanna kijkt me aan. Ze zegt niks. Ze kijkt alleen.
Ik verplaats mijn gewicht niet meer.
Na het zitten is er ontbijt. Rijstepap. Bonen. Thee. We eten in stilte. Iemand schenkt in. Iemand geeft de bonenpuree door. Alles gaat langzaam en zonder woorden en het is het minst ongemakkelijke ontbijt dat ik in jaren heb gehad.
Daarna zitten. Dan lopen. Langzaam lopen, door de schuur, buiten om het huis, weer naar binnen. Geen bestemming. Alleen lopen.
Ik loop en ik denk aan de startup. Aan de spreadsheet. Kolom C die groen was en daarna rood. Aan Sergei in Oekraïne die een prototype bouwde dat werkte maar niet goed genoeg. Aan het vervangen slot. Aan de brief.
Het scheermesje op de rand van het bad.
Ik loop.
Ik denk aan Mats. “Dat het mijn schuld is.” Zijn handen. Zijn nagels die te kort zijn geknipt.
Ik loop.
Op de tweede dag zit ik tegenover Hanna.
Dokusan. Zo heet dat. Een gesprek met de leraar. Vijf minuten. Ze zit. Ik zit. Ze kijkt me aan.
Ze stelt geen vraag.
Ik wacht op de vraag.
Er komt geen vraag.
“Mijn moeder herkent me niet meer,” zeg ik.
Hanna zegt niks.
“Ze herkent de bloemen wel. Altijd de bloemen.”
Stilte.
“Dat zegt waarschijnlijk iets,” zeg ik.
Hanna kijkt me aan. Haar blik is geen medelijden. Het is ook geen afstand. Ik weet niet wat het is.
Een belletje. De vijf minuten zijn voorbij.
Ik loop terug naar mijn kussen.
De tweede nacht slaap ik.
Niet lang. Vier uur misschien. Maar echt. Zonder dromen die ik me herinner. Gewoon donker en dan licht.
We zitten. Het is middag. Buiten regent het.
Ik hoor de regen op het dak van de schuur. Ik adem in. Ik adem uit. Ik tel niet. Ik probeer nergens heen te gaan.
En dan ga ik nergens heen.
Niet voor lang. Een minuut misschien. Misschien minder. Er is alleen de regen en mijn adem en de houten vloer onder mijn knieën.
Geen Jeanette. Geen mam. Geen Birgit. Geen haak. Geen lijnen. Geen spreadsheet. Geen Rick met zijn theedoek.
Gewoon dit.
Het belletje.
Ik open mijn ogen. Hanna kijkt me aan. Ze heeft het gezien, denk ik. Of ze heeft niks gezien. Moeilijk te zeggen bij Hanna.
Na de sesshin rij ik terug.
A28, A6, Almere. Het is zondagavond. Donker. De stad komt tevoorschijn uit het water zoals hij altijd doet, flatgebouwen en licht en de brug over het Weerwater.
Mijn telefoon gaat. Jeanette.
Ik neem op.
“Fien heeft haar regenjas laten liggen.”
“Ik breng hem woensdag.”
“Oké.”
Ze hangt op.
Ik rij. De regen is meegenomen uit Drenthe, hij tikt op het dak van de auto. Ik zet de ruitenwissers aan. Ze gaan heen en weer. Heen en weer.
Maandag rij ik naar Baarn.
A1, afslag Baarn. Parkeren bij de ingang. Rozen. Gele. Vijf euro vijftig bij de Jumbo in Almere Centrum.
Mam zit bij het raam. Ze heeft een vest aan dat ik niet ken. Blauw met kleine knopen. Een van de verzorgsters heeft het vast uitgezocht.
Ze kijkt op als ik binnenkom.
Ik ga zitten. Leg de bloemen op het tafeltje.
Ze kijkt naar de bloemen. Dan naar mij.
Ze kijkt naar mij.
“Je ziet er moe uit,” zegt ze.
Ik kijk haar aan. Ze kijkt terug. Helder. Aanwezig. Haar ogen die mijn ogen zijn, weet ik van oude foto’s.
Ik zeg niks.
“Slaap jij wel genoeg?”
“Gaat wel,” zeg ik.
Ze knikt. Ze pakt mijn hand. Haar hand is warm en droog. Ze houdt hem vast.
“Gele rozen,” zegt ze.
“Ja.”
“Die vond ik altijd mooi.”
Ik kijk naar de rozen. Geel. Vijf euro vijftig.
Ze laat mijn hand niet los.
Het is het liefste wat iemand in maanden tegen me heeft gezegd.


Jouw moeder in Baarn. Mijn moeder ook. Ik ben er geboren, ging er naar school. We woonden boven de winkel. We speelden er op straat, met de kinderen die ook boven de winkel woonden. Verstoppertje, balletjetrap, stoepranden. Ik klom er in de lantaarnpaal bij de melkfabriek, met de gladde vloeren waarop je geweldig rondjes kon draaien op je rolschaatsen. We hoorden de Sinterklaas- en Kerstliedjes uit de luidsprekers onder ons slaapkamerraam, mijn zusje en ik. We zongen mee tot het om negen uur ophield. We roken de vislucht van de winkel aan de overkant, waar in grote bakken de palingen nog rondzwommen. De lucht vermengde ongunstig met de duurdere geuren uit onze winkel.
Dank! Jouw verhalen brengen me terug.