Jeanette
Hoofdstuk 4
Met Violet was het stil geweest. Tien jaar stil. Het soort huwelijk waarin je naast elkaar op de bank zit en allebei een ander programma kijkt op je eigen scherm. Geen ruzie. Geen seks. Geen spanning. Niets waar je wakker van lag.
Ik lag ook niet wakker. Ik lag gewoon.
Toen dat voorbij was - netjes, beleefd, twee handtekeningen en een notaris op de Apollolaan - dacht ik: dit is het dus. Dit is hoe het voelt als iets ophoudt zonder dat het ooit echt begonnen is.
Ik leerde Jeanette kennen op Twitter.
Dat klinkt nu als een grap. In 2012 was het dat niet. Ze had zeshonderd volgers en schreef grappige dingen over haar repetities. Over haar zoontje. Over whiskey. Ik volgde haar. Ze volgde terug. Ik stuurde een DM. Ze antwoordde dezelfde avond.
We spraken af in een café op de Van Baerlestraat. Ze droeg een kunstzinnige jas en had lippenstift op die ze vergeten was bij te werken. Dat waren de twee dingen die ik zag. Daarna zag ik niks meer objectief.
Na een week zei ze: “Ik ga misschien je hart breken.”
We lagen in haar bed. Ik lachte. Natuurlijk lachte ik.
“Ik wil ook andere mannen,” zei ze. “Zo ben ik. Dat kan ik niet veranderen.” Ze keek me aan. “Je kunt het hebben of niet.”
Ik zei dat ik het had.
Na Violet was alles aan haar een defibrillator. De manier waarop ze door een kamer bewoog, haar heupen langs de deurpost, haar vingers over het aanrecht, alsof elke ruimte van haar was. De seks waarbij ik vergat dat ik een lichaam had dat ook zonder haar bestond. Ik was tien jaar niet aangeraakt. Niet echt. Niet op de manier waarop je iemand aanraakt als je hem wilt.
Ze wilde mij. En ze wilde anderen. En ik dacht: dat is de prijs. Die betaal ik.
We kregen Mats. En toen Fien. En ik was dezelfde man als daarvoor, alleen met meer om bang voor te zijn.
Op een avond, de kinderen lagen al, zat ze tegenover me aan de keukentafel. Marco was er geweest. Een vriend. Hij was net weg. De fles wijn stond nog open, drie glazen, en ze had gelachen op een manier die ik niet kende. Niet haar gewone lach. Harder. Losser. Ze had haar hand op zijn arm gelegd toen hij een grap maakte en ik had wijn ingeschonken alsof ik dat niet zag.
Ze at haar bord leeg. Stond op. Zette het in de vaatwasser. Legde haar hand even op mijn schouder toen ze langs me liep. Eén seconde. Ze deed zoiets nooit.
Ik keek op. Ze was al weg, de kamer in, haar telefoon in haar hand.
Haar telefoon ging soms drie keer over voor ze opnam. Die drie tonen waren het langste wat ik kende. Drie tonen en ik dacht al: ze is bij iemand. Ze ligt ergens waar ik niet ben.
“Reinier. Ik ben er.”
“Je nam niet op.”
“Ik zat in een repetitie.”
“Twee uur?”
Stilte. Het soort stilte dat betekent: ik ga dit gesprek niet nog een keer voeren.
Ze had me gewaarschuwd. De eerste week al. En ik had gelachen.
Ik begon haar telefoon te checken als ze onder de douche stond. Ik begon te vragen waar ze was geweest en of ze nog leuke mannen had gezien. En lastig te doen als ze weg wilde met vriendinnen. Buikpijn. Hard gewerkt. Vanavond niet, alsjeblieft? Ik maakte lijstjes met manieren waarop ze me zou bedriegen. In mijn hoofd eerst. Daarna op papier.
Bij Violet had ik nooit een lijstje gemaakt. Bij Violet was er niks om te tellen.
Op een zondagochtend in mei hadden we seks. Daarna lag ze naast me en ik keek naar het plafond en zij lag stil. Te stil.
Ik draaide me om.
Haar gezicht hing scheef. Links. De mondhoek. Het ooglid. Alsof iemand aan één kant trok.
Ik zei haar naam.
Ze keek me aan maar het klopte niet, haar blik. Ze zei iets. Geen woorden. Klanken die op woorden leken maar het niet waren.
Ik belde 112.
De kinderen stonden in de deuropening. Mats in zijn pyjama. Fien met haar knuffel. Ik zei: “Ga naar de kamer, ga tv kijken.” Mats pakte Fiens hand. Ze gingen.
De ambulance kwam snel. In onze straat, zo’n jaren-dertigwijkje met smalle voortuintjes en bakstenen die altijd iets te rood zijn, ziet een ambulance er verkeerd uit.
Ze tilden haar op de brancard. Ze had haar ogen open. Ze keek naar mij.
Mats en Fien stonden voor het raam. Fien huilde. Mats niet, maar hij hield zijn hand plat tegen het glas.
Ik reed achter de ambulance aan. Door rood. Twee keer.
TIA, zeiden ze. Een waarschuwing. Geen schade. Geluk gehad.
Ze lag in dat bed en ze zag er klein uit. Jeanette was nooit klein. Ze vulde altijd de hele ruimte.
Tegenover haar lag een man van een jaar of veertig. Breed. Bruin haar. Ook een TIA gehad. Hij las een tijdschrift.
Ze keek naar hem. Toen naar mij. Ze grijnste.
“Die,” zei ze. Haar spraak was al bijna normaal. “Die is wel leuk.”
“Je hebt net een TIA gehad.”
“Ja. En?”
Ik lachte. Zij lachte. We maakten er een grap van.
Thuis las ik haar dagboek.
Ik wist waar het lag. Altijd geweten. Nooit aangeraakt. Die middag wel.
Numerologie. Tarotkaarten. Levensgetallen. Pagina na pagina haar handschrift, klein en schuin. Namen naast getallen. Getallen naast namen. Gedichten.
Marco stond erbij. De vriend die in onze keuken had gezeten. Wijn. Lachen. Zijn hand die ze had aangeraakt.
De sterren zeiden dat ze bij hem moest zijn. Zo stond het er. De sterren zeiden het.
Ik legde het dagboek terug. Precies zoals het lag.
We gingen naar therapie. Een vrouw in een praktijk op de Amstelveenseweg. Klein kamertje, twee stoelen, een bank. Op haar bureau stond een karaf water die nooit werd aangeraakt.
De derde sessie. Jeanette vertelde over haar week. Een auditie. De kinderen. De tram die te laat was. Ze vertelde het alsof ze een lijst voorlas. De therapeut knikte. Schreef iets op. Toen keek ze naar mij.
“Reinier, hoe was jouw week?”
Ik zei: goed. Ik zei: druk. Ik zei niks over het dagboek dat ik had gelezen, over mijn speurtochten in haar telefoon, over de dinsdagen en donderdagen en zondagen.
De therapeut keek naar Jeanette. Toen weer naar mij. Lang. Te lang.
“Hij heeft zulke hondenogen,” zei ze.
Jeanette keek ook. Even maar.
Ik zat op die stoel en de therapeut had gelijk. Ik kéék zoals een hond kijkt. Naar de deur. Naar de hand. Wachtend. Ik was met Violet tien jaar niet levend geweest en nu was ik levend en het levende was dit: in een kamertje op de Amstelveenseweg zitten met hondenogen terwijl een karaf water warm werd op een bureau.
Jeanette haakte af na sessie vijf. “Ik wil niet meer,” zei ze. Op de toon waarop ze alles zei. Mededeling. Geen discussie.
Ze was al weg voor ze wegging. Dat is het punt. Ze was altijd al weg. Vanaf die eerste week in haar bed. Ik was degene die dacht dat hij haar kon laten blijven door harder te kijken, meer te controleren, beter te tellen.
Met Violet was ik rustig geweest. Vriendelijk. Afwezig. Een man die niks in de gaten hield omdat er niks was om in de gaten te houden.
Zijn met Jeanette maakte me tot iemand die ik niet kende. Iemand die dagboeken las en telefoons doorzocht en door rood reed achter een ambulance aan. Iemand die leefde. Het verschil tussen een dood huwelijk en een levend huwelijk was dat het levende me kapotmaakte.
De taxi naar huis. Doodstil. Amsterdam schoof voorbij achter het glas. Jeanette keek naar buiten. Ik keek naar mijn handen.
Thuis ging ik naar de slaapkamer. Het terras. Ik stak een sigaret op. De eerste trek ging naar binnen alsof ik holle ruimte was.
Ik viel.
Niet letterlijk; ik zat op een stoel en rookte en keek naar de binnentuin twee hoog en ik viel. Urenlang. Alsof de stoel er niet was, alsof het beton er niet was, alsof er onder mij alleen maar meer lucht zat. Ik rookte de ene na de andere en mijn handen waren stabiel en ik viel.
Jeanette kwam op het terras. Ging zitten. Zei niks. Ze keek naar me. Zacht. Het soort blik dat erger is dan schreeuwen. Ze zat daar alsof ze wachtte tot ik ergens landde.
Ik landde niet.
Op een gegeven moment stond ik op en liep naar de kamer waar de kinderen zaten. Mats op de bank, Fien op de grond met stiften. Gewoon een dinsdag. Gewoon de kinderen.
Ik ging zitten. Jeanette stond in de deuropening.
Ik deed precies wat je niet moet doen.
“Mama wil niet meer bij me zijn. Ik wil dat ze blijft. Maar mama wil me niet meer.”
Dat zei ik. Tegen een jongen van tien en een meisje van acht. Dat waren de woorden die ik koos.
Fien keek op van haar stiften. Ze begreep het niet. Toen wel. Ze liet de stift vallen en kroop naar Jeanette. Greep haar benen vast. Haar kleine handen in de stof van Jeanettes broek.
Mats werd wit. Hij stond op. Hij schreeuwde: “Ik wist het.”
En toen, zachter, op een toon die ik nooit meer wil horen: “Nee.”
Eén lettergreep. Het hele huis erin.
Jeanette tilde Fien op. Mats stond midden in de kamer met zijn armen langs zijn lichaam. Hij keek naar mij met de blik die de therapeut had beschreven. Hondenogen.
Die had hij van mij.


Nondekanonnen, wat een dijk van een artikel. Heel goed geschreven!
Mooi geschreven en ook best wel herkenbaar