Lastig
Hoofdstuk 3
Het is november. Ik woon hier nu vier maanden.
Mijn moeder is dement. Dat weet iedereen die het moet weten en niemand die het niet hoeft te weten. Zo werkt dat bij mij. Je verdeelt informatie in categorieën. Nuttig. Onnuttig. Kwetsbaar. Dat laatste deel je niet.
Ik deel het niet.
Maar mijn moeder vergeet mijn naam. Ze zegt Reinier en dan kijkt ze alsof ze een woord uitspreekt dat ze ergens heeft gelezen maar niet kan plaatsen. Alsof mijn naam een merk is dat ze ooit kende.
Ze woont in een verzorgingshuis in Baarn. Ik rijd daar twee keer per week heen. Vijfenveertig minuten. A1, afslag Baarn. Parkeren bij de ingang. Bloemen mee. Altijd bloemen. Ze herkent de bloemen vaker dan ze mij herkent.
Vandaag zegt ze: “Wat een mooie tulpen.”
“Rozen, mam.”
“Rozen,” herhaalt ze. En dan: “Ken ik jou?”
Ik zeg ja. Ik zeg altijd ja. Soms is dat genoeg. Soms legt ze haar hand op de mijne en dan voelt het alsof ze het meent. Alsof ergens diep in haar hoofd iets zegt: deze hand ken ik. Dit is iemand van mij.
Ik rijd terug. A1. Almere. De flats. De nieuwbouw. Het water dat overal is omdat deze stad gebouwd is op de bodem van een zee. Alles hier is gemaakt. Niks is er altijd geweest.
Dat vind ik mooi. Dat niks hier doet alsof het er altijd is geweest.
In Oud-Zuid deed alles alsof het er altijd was geweest. De gevels. De mensen. De zekerheden. Alsof er nooit een tijd was waarin het niet bestond. Alsof twijfel iets is voor andere buurten.
Hier is alles nieuw. De straten. De bomen die nog dun zijn en scheef staan in hun palen. De mensen die hier zijn gekomen omdat het ergens anders niet meer ging.
Niemand in Almere doet alsof.
Dennis staat in zijn voortuin. Altijd staat Dennis in zijn voortuin. Ik geloof dat zijn voortuin zijn kantoor is, zijn huiskamer en zijn café.
“Hé Reinier.”
“Hé Dennis.”
“Alles goed?”
En dan doe ik iets wat ik nog nooit heb gedaan. Iets wat ik niet deed toen mijn eerste huwelijk strandde. Niet toen mijn tweede huwelijk strandde. Niet toen mijn startup kapotging. Niet toen ik mijn huis moest opgeven.
Ik zeg: “Nee.”
Dennis kijkt me aan. Neemt een slok van zijn blik. Zegt niks.
“Mijn moeder herkent me niet meer.”
Hij knikt. Langzaam.
“Mijn vader had dat ook,” zegt hij. “Laatste twee jaar. Kende niemand meer. Alleen de hond.”
We staan daar. In de voortuin. Het is koud. Ik heb geen jas aan. Mijn hond trekt aan de riem. Wendy’s föhn blaast aan de overkant.
“Klote,” zegt Dennis.
“Ja,” zeg ik.
“Wil je een biertje?”
“Ja.”
We drinken bier. Het is twee uur ‘s middags op een dinsdag. In Oud-Zuid zou dit een teken zijn. Een signaal. Iets om je zorgen over te maken. Hier is het gewoon twee mannen die bier drinken omdat het even niet gaat.
Er rijdt een auto voorbij. Geen Lamborghini. Een Opel Corsa met een deuk in de zijkant. De bestuurder zwaait naar Dennis. Dennis zwaait terug.
Iedereen zwaait hier.
In Oud-Zuid zwaaide niemand. Mensen knikten. Een knik is gecontroleerd. Een knik zegt: ik zie je, maar kom niet dichterbij.
Zwaaien is anders. Zwaaien is open. Zwaaien zegt: ik heb niks te verbergen.
Ik heb nog steeds dingen te verbergen. Mijn schulden. Mijn angsten. Het feit dat ik ‘s nachts wakker lig en niet weet hoe het verder moet.
Maar ik hoef ze niet meer te verbergen achter een adres.
Mijn telefoon trilt. Een bericht van mijn vriendin. “Hoe was het bij je moeder?”
Ik typ: “Lastig.”
Dan wis ik het. Typ opnieuw: “Ze herkende me niet. Ik drink nu bier met Dennis.”
Versturen.
Drie puntjes. Ze typt.
“Fijn dat Dennis er is.”
Ik kijk naar Dennis. Die naar zijn telefoon kijkt. Die een filmpje kijkt van iemand die van een trampoline valt. Die lacht. Hard en echt.
Ja, denk ik. Fijn dat Dennis er is.
Later loop ik een blokje om met de hond. Het is vijf minuten. Alles is hier vijf minuten. De supermarkt. De school. Het station. In Oud-Zuid was alles ook vijf minuten, maar die vijf minuten kostten zevenduizend euro per maand.
Hier kosten ze niks.
Ik doe de deur open. Mijn hond rent naar binnen. Naar zijn mand die ik heb gekocht bij de Action. Niet bij een designwinkel. Bij de Action. Hij ligt erin alsof het de fijnste mand van de wereld is. Hij weet niet wat hij kost.
Ik ga zitten. Aan mijn keukentafel. Die ik heb gekocht op Marktplaats. Van een vrouw in Lelystad die zei: “Hij is van Ikea hoor, maar hij is goed.”
Hij is goed.
Ik kijk naar buiten. Naar de straat die eruitziet als duizend andere straten in Almere. Naar de bomen die nog moeten groeien. Naar het huis van Dennis en Wendy waar licht brandt. Waar altijd licht brandt.
Niemand hier denkt dat ik het voor elkaar heb.
Niemand hier denkt dat ik het niet voor elkaar heb.
Niemand hier denkt.
Ze leven gewoon.
Ik denk aan Geurt. Aan de Cornelis Schuytstraat. Aan de Lamborghini. Aan de zeven duizend euro per maand. Het voelt ver weg. Niet in kilometers. In eerlijkheid.
Mijn naam is Reinier. Ik woon in Almere.
Ik hoor hier.

