Nummer 13
Hoofdstuk 13
Iris staat in mijn keuken.
Ze heeft haar haar opgestoken met een potlood. Niet een haarspeld. Een potlood. Ze weet niet eens dat ze het heeft gedaan. Ze zingt zacht, iets wat ik niet ken, terwijl ze een ui snijdt. Ze huilt niet van de ui. Ze knippert alleen.
Dit is de derde woensdag.
We zijn twee weken terug uit Bali. Op het vliegveld van Schiphol stonden we bij de bagageband en keken naar onze koffers die langskwamen en er was een moment, heel kort, waarop ik dacht: en nu. Maar er was geen en nu. Er was een Connexxion-bus en de A6 en Almere Poort en ik parkeerde voor nummer 13 en ze stapte uit en zei: “Ik app je morgen.”
Ze appt me elke dag.
De ui is klaar. Ze veegt haar handen af aan een theedoek. Rood met witte strepen, van de Hema, twee euro vijftig voor twee stuks.
“Hoe lang duurt de pasta?” vraagt ze.
“Tien minuten.”
“Ik doe de saus.”
We lopen langs elkaar in de IKEA-keuken en de keuken is klein maar het gaat. Het gaat makkelijker dan het zou moeten gaan.
De deurbel gaat. Tringgg.
Dennis staat op de stoep met twee blikjes Hertog Jan.
Hij kijkt langs me heen de keuken in. Hij ziet Iris. Hij ziet de pan. Hij ziet het potlood in haar haar.
“Hé,” zegt hij.
“Hé Dennis,” zegt ze.
“Stoor ik?” vraagt hij aan mij.
“Nee,” zeg ik.
“Bier?”
Ik pak het blikje aan. Hij leunt tegen de deurpost. Dennis staat altijd in deuropeningen.
“Wendy vraagt of jullie zaterdag komen eten.”
Ik kijk naar Iris. Iris kijkt naar de saus.
“Ik vraag het,” zeg ik.
Dennis knikt. “Vlees. En bier. Niks chics.”
Hij tikt met zijn blikje tegen het mijne. Drinkt. Kijkt naar Iris.
“Ze zingt altijd zo?”
“Ja.”
“Lekker,” zegt hij.
Iris glimlacht naar de pan.
Dennis gaat weg. Slippers op beton.
We eten aan de Marktplaats-tafel.
Pasta. Penne, tomatensaus uit blik, ui, knoflook. Hetzelfde als wat ik maak voor de kinderen op vrijdag.
“Beter dan Bali,” zegt ze.
“Alles is beter dan Bali.”
“Niet de maan.”
Ik kijk haar aan. Ze pakt nog wat Parmezaan.
Buiten de chihuahua van Dennis. Eén keer. Dan stil.
Na het eten doe ik de afwas. Iris droogt af. Ze pakt elk bord en wrijft het uitgebreid droog. Precies zoals Fien dat doet.
Ik zeg het niet.
“Zaterdag,” zegt ze.
“Dennis en Wendy.”
“Ik wil wel.” Ze legt een bord in de kast. “Als je wil.”
“Ik wil.”
We gaan op de bank zitten. Iris trekt haar benen onder zich. Ze heeft sokken aan die niet van haar zijn. Grijs, van de Zeeman, een pak van vijf voor vier euro. Ze heeft ze gevonden in mijn la en aangetrokken zonder te vragen.
“Mag ik iets opzetten?” vraagt ze.
Ze scrollt op haar telefoon. Piano, een stem, langzaam. Ze legt haar telefoon neer.
We luisteren The Elevator, Lizzy McAlpine.
Ik kijk naar de kamer. Laminaat. Witte muren. Een IKEA-kast waarvan de derde plank licht naar rechts helt. Een raam met uitzicht op de straat, op de voortuin van Dennis, op de straatlantaarn die altijd te vroeg aangaat.
Hier vraagt niemand wat je doet om te weten wat je waard bent.
Mijn hond slaapt in zijn Action-mand. Hij weet niet wat hij kost.
Iris leunt achterover. Ze sluit haar ogen. Ze zingt mee, heel zacht, de tekst die ze kent en ik niet.
Ik kijk naar haar.
Ze opent haar ogen. Ze kijkt naar me.
“Wat?” zegt ze.
“Niks.”
Ze kijkt me aan. Zonder scan. Zonder meting. Gewoon kijken.
“Reinier.”
“Ja.”
“Zeg het dan.”
Buiten gaat het licht bij Dennis aan. Wendy die de gordijnen dichttrekt. De chihuahua die rondloopt. Het gewone geluid van een gewone avond in Almere Poort.
Ik zeg het.
De cv-ketel tikt. Eén keer, dan het zachte suizen van water door de leidingen.
Ze kijkt naar haar handen. De sokken van de Zeeman. De Marktplaats-tafel. De scherf op de vensterbank.
Dan kijkt ze me aan.
“Ik weet het,” zegt ze.
Niet: ik ook. Niet: eindelijk. Alleen: ik weet het.
De muziek speelt door. Buiten is Almere. Mijn hond slaapt in zijn mand. Nummer 13. Laminaat. IKEA-keuken.
Ik ben hier.


Je weet wat er staat te gebeuren en toch lees je door; dat is het teken van een zeer goed verhaal in een mooie stijl.
Ik vind het heel goed. Maar niet genoeg. Schrijf je door?