Scherf
Hoofdstuk 6
Een vriend zei: “Ga mediteren.”
Ik zei: “Nee.”
Hij zei: “Er is een zengroep in Amsterdam-Noord. Maandagavond. Kost niks.”
Ik zei: “Ik ga niet mediteren met een groep mensen in Amsterdam-Noord.”
Ik ging mediteren met een groep mensen in Amsterdam-Noord.
Het was een zaaltje boven een fysiotherapiepraktijk. Laminaatvloer. Tl-licht. Kussens op de grond - niet de kussens die je koopt bij Sukha, maar kussens van de Hema, met vlekken.
Er zaten acht mensen. Een vrouw met grijs haar en een broche van een uil. Een man met een baard en Birkenstocks. Een jongen van een jaar of vijfentwintig die eruitzag alsof hij net een festival had overleefd. Twee vrouwen van middelbare leeftijd in fleecevesten. Een oudere man met een gehoorapparaat.
En Thea.
Thea was achter in de zestig, klein en rond, met een bril met een ketting eraan. Ze had een notitieboekje bij zich. Ze had altijd een notitieboekje bij zich, zou ik later leren.
De zenmeester heette Arthur. Kaal. Rustig. Hij sprak alsof elke zin een keuze was, alsof hij elk woord had overwogen en de meeste had weggegooid.
“Welkom,” zei Arthur. “We beginnen met twintig minuten stilte.”
Twintig minuten stilte. Ik had in geen jaren twintig minuten stilte gehad. Niet echte stilte. Niet de stilte waarin je niks doet en niks hoeft en niks moet.
Ik ging zitten op een kussen. Mijn knieën deden pijn. Mijn rug deed pijn.
Arthur sloeg op een klankschaal. Het geluid hing in de kamer. Iedereen was stil.
Ik deed mijn ogen dicht.
Ik probeerde te tellen. Dat had ik ergens gelezen. Eén bij inademing, twee bij uitademing. Gewoon tellen. Tot tien, dan opnieuw. Het klonk als iets wat werkte.
Het werkte niet.
Ik haalde adem en telde één en mijn hoofd zei: de huur. Ik haalde adem en telde twee en mijn hoofd zei: Mats, morgen moet hij naar de tandarts, heb ik dat geregeld. Ik probeerde terug te gaan naar één. Dat lukte even. Een paar seconden was er alleen het geluid van de verwarming die tikte en iemand die zijn neus ophaalde en de stilte daaromheen. Dun. Ik voelde dat ik er doorheen kon zakken als ik bewoog.
Toen zakte ik er doorheen.
De lijnen. De haak. Jeanette. Mats. Fien. De huur. De schulden. De startup. Het bad.
Ik hield het drie minuten vol.
Na de stilte was er thee. Thee uit een thermoskan, in plastic bekertjes. Geen losse thee in een Japanse pot. Thee van een zakje. Pickwick.
Arthur praatte over loslaten. Over vasthouden. Over de dingen die we dragen en waarom we ze niet neerzetten.
Thea stak haar hand op.
“Je zegt dit nu wel, Arthur,” zei ze. “Maar ik ben het er niet mee eens.”
Arthur knikte. “Waarmee niet, Thea?”
“Dat loslaten een keuze is. Sommige dingen laten jou niet los.”
Arthur glimlachte. Zei niks. Thea schreef iets in haar notitieboekje.
De week erna praatte Arthur over ademhaling, over hoe de adem een anker kon zijn. Thea zei niks. Ze schreef de hele avond. Na de thee liep ze naar Arthur, scheurde een blaadje uit haar notitieboekje en gaf het aan hem. Arthur las het, vouwde het op en stak het in zijn borstzak. “Dank je, Thea,” zei hij. Thea knikte en liep naar de kapstok. Ik heb nooit gevraagd wat erop stond.
Ik kwam terug. Elke maandag. Ik weet niet waarom. Het zaaltje was lelijk, de thee was slecht, de kussens waren hard. Maar ik kwam terug.
Na vier weken zei Arthur: “Volgende week neem je iets mee. Iets van grote waarde voor je. We gaan het bekijken.”
De hele week dacht ik erover na. Mijn horloge. Mijn telefoon. Een foto van de kinderen.
Ik nam de scherf mee.
De scherf was van aardewerk. Roodbruin, met resten blauwe verf. Ruw aan de ene kant, glad aan de andere. Zo groot als mijn handpalm. Jeanette en ik hadden hem meegenomen uit Egypte. Onze huwelijksreis. 2012. Luxor.
We liepen bij een tempel. Ik weet niet meer welke. Een van de honderd. Achter een muur stond een oud wijnvat, half in het zand. Overal lagen scherven. Niemand die ze opraapte.
Jeanette bukte en raapte er een op. Roodbruin. Blauwe verf, nog zichtbaar na al die eeuwen.
Ze hield hem in haar handpalm.
“Dit waren wij,” zei ze.
“Een wijnvat?”
“In een vorig leven. Wij hebben hier gedronken. Samen. Ik voel het.”
Ik geloofde niet in vorige levens en had weinig met dingen die je niet kon meten. Maar ik zei niks. Want zij geloofde het. En haar geloof was genoeg.
We namen de scherf mee. In een handdoek, in de koffer, door de douane. Hij stond op onze vensterbank. Tussen de foto’s en de kaarsjes en de rommel die een gezin verzamelt.
Na de scheiding nam ik hem mee. Jeanette zei er niks van. Misschien was ze hem vergeten. Misschien niet.
Ik legde de scherf op de grond in het zaaltje. Op het laminaat, tussen de Hema-kussens en de plastic bekertjes Pickwick.
Arthur zei: “Vertel.”
Ik begon te praten. Over Luxor. Over Jeanette. Over het wijnvat en het vorige leven dat we samen zouden hebben gehad.
En toen stopte ik.
Niet omdat ik uitgepraat was.
Er kwamen geen woorden meer. Alleen de scherf op het laminaat en acht mensen die wachtten en iets in mijn keel dat ik niet omhoog kon krijgen en niet omlaag. De scherf. Jeanette. De TIA. De kinderen met hun tas. Het bad. Het mesje. De haak. De lijnen. De boot die ik kocht om dood te gaan.
Ik huilde. Niet zoals in het bad, alleen, met het water dat koud werd. Dit was erger. Dit was met acht mensen erbij, op een laminaatvloer in Amsterdam-Noord, naast een scherf met blauwe verf uit Luxor.
Thea legde haar hand op mijn schouder. Ze zei niks. Ze schreef niks in haar notitieboekje.
Arthur zei niks.
Niemand zei iets.
Na een tijdje, ik weet niet hoe lang, vijf minuten, tien, een uur, werd het stil in mijn hoofd. Niet leeg. Stil. Voor het eerst.
Ik keek naar de scherf. Roodbruin. Blauwe verf. Kapot. En nog steeds hier.
Ik pakte hem op. Stopte hem in mijn jaszak.
Buiten was het koud. Amsterdam-Noord. De pont. Het IJ. Ik fietste naar huis over de pont en het water was zwart en de stad was licht en ik had niks opgelost.
Maar het was stil in mijn hoofd.
De scherf staat nu op mijn vensterbank in Almere. Tussen de rommel die een nieuw leven verzamelt. Ik kijk er soms naar.
Hij bewijst niks. Geen vorig leven. Geen eeuwige liefde. Geen antwoorden.
Hij bewijst alleen dat iets kapot kan zijn en er nog steeds kan zijn.

