Birgit
Hoofdstuk 9
Birgit kookt op donderdagavond.
Elke donderdag. Hetzelfde ritueel. Ze belt me rond vier uur. “Ik maak risotto.” Of: “Ik maak pasta.” Of: “Ik maak die kip met citroen.” Ze zegt het alsof het een uitnodiging is maar het is er geen. Het is een mededeling. Om zes uur sta ik op de stoep in Bussum.
Haar huis is een twee-onder-een-kap. Jaren zeventig. Een voortuin met grind en twee buxusbollen die ze elk voorjaar laat knippen door een man die volgens haar “wonderen doet met een heggenschaar.” De buurvrouw heeft dezelfde bollen. Iedereen in deze straat heeft dezelfde bollen.
Ik parkeer. Loop naar de deur. Bel aan, ook al staat hij open. Birgit roept vanuit de keuken: “Binnen!” Ik loop door de gang. Kapstok vol jassen, een spiegel waarin ik mezelf zie en snel doorloop. In de keuken staat ze. Schort om. Glas wijn voor me klaar op het aanrecht.
We zoenen. Haar lippen smaken naar de wijn die ze al opdrinkt sinds half vier.
Ze vertelt over haar dag. De ouders. De leerkrachten. Het kind dat heeft geslagen. Het kind dat werd geslagen. De inspectie die langskomt. Ik luister. Ik knik. Ik snijd de ui als ze me vraagt de ui te snijden.
Er hangt een klok in haar keuken. Oud ding, van haar oma. Zwart met gouden rand. Het geluid is te hard voor zo’n kleine keuken. Elke seconde een tik. Ik hoor ze allemaal.
Zaterdagochtend. Haar slaapkamer. Ze is al op. Ik hoor haar beneden, koffieapparaat, radio. Een presentator die te vrolijk praat voor dit uur. Ik lig in haar bed. Het ruikt naar haar. Wasverzachter en iets van bloemetjes, bodylotion misschien. De lakens zijn gestreken. Birgit strijkt haar lakens.
Ik tel de balken in het plafond. Zeven.
Beneden lacht ze om iets op de radio.
In de slaapkamer van Jeanette lagen kleren op de grond. Altijd. Overal. Een topje over een stoel, een bh op de deurklink, schoenen midden in de kamer. Chaos die alleen van haar kon zijn. Je stapte uit bed en je trapte op iets van haar en dat was het eerste wat je voelde: zij was hier.
Birgits slaapkamer is opgeruimd. De kussens liggen recht. De gordijnen hangen symmetrisch.
Ik sta op. Trek mijn kleren aan. Loop naar beneden.
“Koffie staat klaar,” zegt ze.
En dat is waar. Bij Birgit is alles waar. Alles klopt. Alles staat klaar.
Op een zondag komen haar vriendinnen. Marleen, José, Anouk. Birgit heeft appeltaart gebakken. Echte slagroom, niet uit een spuitbus. Ze heeft er moeite voor gedaan.
Marleen werkt bij de gemeente. José is logopediste. Anouk doet iets met paarden. Ze praten over verbouwingen en vakanties en kinderen die niet luisteren. De woorden stromen als water door een brede rivier, geen obstakels, geen stroomversnellingen.
Ik zit in een stoel bij het raam. Bord met taart op mijn schoot.
José vraagt wat ik doe.
“Spraaktechnologie.”
“Oh. Leuk.”
Stilte. Even maar. Dan verder, Marleen over haar terras, de tegels die ze wil vervangen, welke kleur, hoeveel per vierkante meter. Ik snijd een stuk af. Kauw. Slik.
Birgit kijkt naar me. Niet boos. Niet verdrietig. Onderzoekend. Alsof ze iets zoekt wat ze eerder heeft gezien en nu niet meer kan vinden.
‘s Nachts word ik wakker. Drie uur. Ze slaapt op haar rug, mond een beetje open, armen langs haar lichaam. Regelmatig. Ze snurkt zoals ze alles doet: rustig en zonder schaamte.
Ik lig naast een vrouw die slaapt als iemand die nergens bang voor is.
Ik stap uit bed. Loop naar de badkamer. Doe het licht niet aan. Ik ga op de rand van het bad zitten en kijk naar de tegel tegenover me. Witte tegel. Schone voeg. Achter de muur ligt een vrouw die van me houdt. Ik zit in haar badkamer in het donker en denk aan niks. Letterlijk niks. Geen Jeanette, geen kinderen, geen haak, geen geld. Alleen een witte tegel en het geluid van Birgit die ademt door de muur.
Dat is het ergste. Dat ik niet eens ergens aan denk.
Na tien minuten loop ik terug. Ze heeft zich omgedraaid. De plek waar ik lag is nog warm. Ik ga erin liggen. Val in slaap.
Haar huis heeft een tussenverdieping. Drie treden omhoog vanaf de gang naar de keuken, vijf omlaag naar de kelder. Halverwege zit een nis met een plantje. Elke keer als ik naar de keuken loop, sta ik even op die drie treden. Niet lang. Een halve seconde. Niet boven, niet beneden.
Op een donderdag in de derde maand zit ik aan haar keukentafel. Ze heeft koffie gezet. Niet voor zichzelf. Voor mij. Ze gaat zitten tegenover me en vouwt haar handen.
De klok tikt.
Ik kijk naar de koffie. Naar haar handen. Naar de klok.
“Ik moet je iets zeggen,” zeg ik.
Ze kijkt me aan. Breed gezicht, brede blik. Ze weet het al. Ik zie dat ze het weet.
“Je bent hier niet echt,” zegt ze. Niet als verwijt. Als constatering.
“Nee.”
“Al weken niet.”
Ik zou moeten zeggen dat het niet waar is. Dat is wat je doet. Je zegt: nee, ik ben er wel, ik heb het druk, er is veel aan mijn hoofd. Je pakt haar hand. Je liegt nog even door.
“Ik kan dit niet,” zeg ik.
De klok tikt.
Ze knikt. Eén keer.
Ik sta op. Ze blijft zitten. Ze kijkt niet naar me als ik mijn jas pak in de gang. Ze kijkt naar de koffie die ik niet heb aangeraakt.
In de auto draai ik de A1 op richting Amsterdam. Het is acht uur. Donker. Koplampen in de tegenrichting, een stroom die niet ophoudt. De radio staat uit. Ik rijd naar de Cornelis Schuytstraat. Het appartement is koud want de verwarming staat op vijftien als ik er niet ben. Ik draai hem omhoog. Ga op de bank zitten. Met mijn jas nog aan.
Mijn telefoon gaat. Birgit.
Ik neem niet op.
Een week later appt ze: “Ik heb in mijn auto gehuild op de parkeerplaats van de Lidl. Met de ramen dicht. Dat wilde ik je even laten weten.”
Ik lees het drie keer. Ik typ niks terug.


Dit vond ik na mijn scheiding het meest opzienbarende én pijnlijke: dat je niet één keer afscheid neemt, maar met een beetje pech keer op keer…